Gedicht 28: Ik moet je speken


 


Ik moet je spreken, ik heb nog wat woorden. Van die lange ongemakkelijke woorden, die uit mij steken. Als de masten uit een schip. Onhandige woorden, van die moeilijk in elkaar te passen woorden, met haken op verkeerde, en ogen op de goede plekken. Ik wil er vragen van maken, als dat kan. Harde, scherpe vragen, waar je gemakkelijk iets mee lek kunt stoten, of vernielen. Verdriet bijvoorbeeld, of vreugde, of een nacht die we bijna zijn verloren (maar nog niet helemaal). 

Of misschien maak ik er een gedicht van. Misschien is dat beter. Zo'n zwaar gedicht, zo'n gedicht als een nat zeil, vol woorden die zich steeds herhalen, herhalen en herhalen,  alsof ze bang zijn zichzelf te vergeten. Dan zou ik dat gedicht om je heen stapelen, rondom jou opstapelen, om je mond en om je gezicht, met de vriendelijke, fluisterende woorden aan de binnen-, en de zwarte, de scheld- en tierwoorden aan de buitenkant. Een gedicht als een stekelvarken.