Gedicht 5: En sprook


Er was eens een boom
Tjokvol onverdroten kwinkelerende vogels
Ratten en wezels en kwatels en anderszins
Zelfs een paard schijnt ooit in zijn takken te zijn waargenomen
(Hoewel dit een waarneming is die later nooit is bevestigd)
Het was een boom als een kasteel
Ongenaakbaar, irritant en weerzinwekkend
Een getier en gepiep zo erg als een hel
Van schuimrubber en vochtig karton
(Of andere kant noch wal rakende metaforen)
Zo luid en vals
Dat zelfs de lente niet nader dorst te komen
En menig boswachter, met bijl en stevige doseringen
Vastberadenheid, moed, doorzettingsvermogen
En meer van dat schromelijk overschatte spul
Is in de loop der jaren op weg naar deze boom onverrichterzake neergezegen

Misschien ook omdat er halverwege het bos
Een prima kroeg was
Maar daar wil ik vanaf wezen

In ieder geval was de boom het gemene volk
Een doorn in het oog
Vanwege het lawaai en de stank van zijn bloesem
Die, dat ben ik in de vorige coupletten nog vergeten te vermelden
Echt wanstaltig schijnen te hebben gestonken
Een stank zo verschrikkelijk
Dat kwakzalvers beweerden er geslachtsziektes mee te kunnen genezen
Dubbelblind en al

En ook het hinderlijke ruisen van zijn bladeren
Bij zelfs het minste vleugje wind
Werd bepaald niet op prijs gesteld door de omwonenden

En daarom hebben ze de boom
Uiteindelijk
In brand getoken
En nu groeit er op de plek van de boom
Een paardebloem
Waar niemand
Echt niemand
Last van heeft
Of
Een gedicht over gaat schrijven ofzo