De nacht ligt al weer voor me klaar
Onwennig en buiten regen
Van alles niet af, nagonzende
Woorden die eigenlijk nog gesproken
Een onverklaarde blik
Iets kwijt wat vergeten
Geen weg terug
Of naar binnen
Het zijn de gebruikelijke betekenisloze gebaren
Het hout in de kachel
De deuren, de schakelaars, het gas
Mezelf vervloeken want te laat te moe te scheef te zwaar
Als een kuiken van lood
Sluipen om haar niet te wekken
De aap die in haar mond woont
Het dekbed wat hoger
De strepen op haar gezicht
En ik tel mijn zonen
Een voor een tel ik ze
Alle drie
Zo precies en nauwkeurig als ik kan
Tel ik mijn drie zonen
Zodat ik exact weet
Hoeveel ze zijn
En waar ze liggen
In al dit zwart