Gedicht 20: Tegen de kou




Je ligt zo met je naam binnenstebuiten in mijn hand
Het bed verdwaald maar dichtbij of verloren
Je praat/spreekt/fluistert omdat de rest op is
De zinnen krom
Het lijf gebogen

En

Omdat ik er anders toch niets van begrijp
Luister ik naar je mond
Niet naar je woorden
Naast je liggend

Als zo'n binnenstebuiten gewaaide paraplu die nooit meer goedkomt

Naast je
Als een extra arm of been