Gedicht 1: Dit was ooit een meneer


Dit was ooit een meneer
Met hoed, weemoed en verlangen
Weerloos maar trots
Zijn angst als een oude handschoen
Opgerold

Ik kende hem, voor al deze dagen
Zijn rug in de wind
Zijn stekels op
Zijn ogen als spleten
Zijn handen zwaar en slim

Hij telde gras
Hij spleet de bomen
Sprak woorden te groot
Voor een tong
Woorden als huizen als schepen als steden

En achter hem liep een hond
Dat weet ik nog
Altijd een hond
Een hond als een berg
Vals als hagel
En wild als zeven katten

En een mevrouw
Mooi zoals alleen vrouwen mooi kunnen zijn
Klikklakkend naast hem
Als een uurwerk zo trots
Door de eindeloos hellende straten
Van een kapseizende stad

Ooit een meneer
Zit hij nu
Slechts
Vol vergeten namen
En sprakeloze gezichten
Grijs en scheef en schots
In zichzelf gekruld